Vrienden van de Voetveren

Wedstrijd pontjesverhalen

In de zomer van 2016 organiseerde de vereniging een wedstrijd Pontjesverhalen. Opdracht was om een leuk verhaal (maximaal 500 woorden) te schrijven waarin een veerpont voorkomt.

De jury heeft alle verhalen doorgenomen, en een weloverwogen besluit genomen. Er waren 51 inzendingen. Van de 51 inzendingen werden de 10 mooiste verhalen apart gezet. Vervolgens heeft de jury een keuze gemaakt uit deze 10 verhalen.

Uitslag

De uitslag is als volgt (klik op de titel om hieronder het verhaal te lezen):

De andere genomineerde verhalen zijn :

  • Onveerwacht (auteur: Maarten Batenburg.)
  • De Droom van de Veerman (auteur: Rob Boudestein.)
  • Over Fred Astaire en eb en vloed op de IJssel (auteur: Eddy Masselink.)
  • Pontje Steur (auteur: Carel de Mari.)
  • Liefdesbootje (auteur: Anette Akkerman.)
  • Naar de overkant (auteur: Dini Commandeur en Janneke van Steenbergen.)
  • Tabak (auteur: Wim Mendelts.)

We danken alle inzenders voor hun fraaie verhalen.

verhaal Eerste prijs

Mijn pontje

Het is al meer dan zestig jaar geleden, dat ik een week of zes ziek was. Wat ik precies had weet ik niet meer, maar het was wel ernstig, want de dokter had me streng voorgeschreven zo weinig mogelijk van bed te komen, laat staan om buiten te spelen. En dat betekende voor mij als een jongetje van acht jaar heel wat! Speelgoed had ik weinig en de hele dag lezen was ook niet mijn ding. In die tijd zou ik ook jarig worden, maar veel plezier had ik er niet in. Ik was zwak, ziek en misselijk. Veel drukte aan m’n hoofd kon ik niet verdragen. Veel afleiding had ik ook niet. Mijn broertje had zijn eigen vriendjes, mijn moeder had haar eigen bezigheden en mijn vader was de hele dag in de fabriek en kwam pas tegen het avondeten thuis.

Maar kort voor mijn verjaardag was hij ook ‘s avonds weg. Waarom? Niemand die het me vertelde. Het was nogal geheimzinnig. De dag van mijn verjaardag brak aan en toen ik ‘s morgens wakker werd, stond er een flink cadeau beneden op tafel. Je kunt je voorstellen, dat ik erg benieuwd was, wat daarin zou zitten. Maar pas toen iedereen er bij was, mocht ik het pak openmaken. Wat was mijn verbazing groot, toen er een prachtige veerpont uit tevoorschijn kwam. Mijn vader had die in de avonduren voor mij gemaakt. Je kunt je voorstellen, hoe blij ik er mee was. “Onze pont, onze eigen pont!” . De pont over het Zwarte Water! Hoe vaak had ik die al niet gezien, als ik bij mijn vader achterop de fiets naar het Veer ging, om intensief naar de activiteiten daar te kijken. Ja, het was precies het model van onze eigen veerpont , die met een klein sleepbootje over de rivier heen en weer getrokken werd. Wat was ik er blij mee! Ik ging op mijn buik liggen om mijn pontje goed te bekijken om als het ware telkens heen en terug over het Zwarte Water te varen... Erbij passende auto’s had ik niet, maar dat is voor mij geen probleem. Schoenen en blokken werden de klanten. Uren was ik er zoet mee en mijn moeder had bijna geen kind meer aan mij...

Maar ik werd groter en de pont verdween tenslotte in een kast op de zolder.

Onlangs kwam hij weer tevoorschijn en kreeg een ereplaats op een expositie ter gelegenheid van de geschiedenis van het Genemuider pontveer in het Historisch Centrum Genemuiden. Ook is toen een herinneringsplaquette ter herinnering aan het vergaan van de pont in 1922 bij het veer geplaatst.

Elf mensen zijn toen omgekomen en de plaquette herinnert daaraan. Ik mocht hem ontwerpen. Zeven handen in doodsnood omhoog geheven uit de wilde golven. In de plaat is een doorkijkopening gemaakt in de vorm van mijn pontje.

En dat weet ik alleen.

auteur: J. Mateboer

verhaal Tweede prijs

Res Nova

De pont komt met een schok tot stilstand. Jannie werpt met een geoefend gebaar het touwtje om de paal en belegt hem op de bolder. Ik laat de klep zakken. Het scharnier knerpt, roept om olie. We rijden onze Solexen van boord om gezellig samen een boulanger op te zoeken voor vers stokbrood.

Op beide zijden van de pont staat in grote letters Dreuningen-Heival. De veerverbinding bestaat al eeuwen: eerst als roeiboot, daarna als kabelpont en zelfs nog even als gierpont, maar dat was geen succes. Sinds 1983 exploiteren Jannie en ik deze veerdienst, waarvoor wij direct een vrijvarende pont hebben laten bouwen waar vier auto’s op passen. We doopten de pont “Res Nova”. Het was een grote investering, maar met dag en nacht overzetten konden we het financieel nèt bolwerken; we genoten elke dag van de rivier, de mensen, de jaargetijden.

Totdat de brug gebouwd werd.

We hebben gevochten, tot de Raad van State aan toe, om een fatsoenlijke schadevergoeding te krijgen, maar vingen overal bot: ondernemersrisico, zei men. Uiteindelijk heeft een bevriende wethouder het voor elkaar gekregen dat wij een kleine jaarlijkse subsidie kregen als wij als voet-/fietsveer zouden blijven varen. Jannie ging als postbesteller aan de slag, en ’s winters kon ik wat bijverdienen bij de plaatselijke jachtwerf.

Er viel een last van onze schouders, toen wij eind vorig jaar de allerlaatste termijn van onze hypotheek aflosten. Ik kocht direct een potje goudverf en schilderde daarmee de vlaggenstokknop totdat-ie glom als een spiegel in de maneschijn. En het geluk hield niet op: bij de jachtwerf konden we voor een prikkie een gereviseerde motor kopen, van hetzelfde type als wat er in de pont stond.

Het voorjaar bood meer glans dan we in jaren hadden gevoeld. Jannie zegde haar baantje op en voer vaak gezellig met me mee; ze had eindelijk ook weer zin om in onze moestuin te werken.

De maand juni was geweldig: het was steeds fantastisch fietsweer, en vooral de dagjesmensen met hun elektrische fietsen golfden af en aan. Jannie plukte schalen vol met overheerlijke verse kapucijners, aardbeien, courgettes en rabarber, meer dan we op konden eten. We voelden ons God in Frankrijk: eindelijk was er weer licht in ons bestaan.

Juli bracht veel buien en koel weer, waardoor we minder overzetten hadden, maar de tuin bracht veel op: zelfs de sperziebonen deden het buitengewoon goed. Samen vulden we honderdvierenvijftig weckflessen met groente, en achtennegentig potjes met aardbeienjam: wat een rijkdom!

Nadat we onze versgeoogste aardappels in jute zakken hadden verpakt, keken we elkaar volmaakt gelukkig aan. En toen gebeurde het.

“Zullen we ..., ehh...” begon Jannie, en ik begreep haar onmiddellijk. Binnen een uur stonden ons trekkertje en de caravan op de pont en alle weckflessen, jampotten en aardappels onderdeks. Met viltstift schreef ik op het bordje met de openingstijden: “Veerdienst Tijdelijk Gestaakt Wegens Dringende Onvoorziene Omstandigheden”.

Jannie startte de motor en haalde de klep omhoog, terwijl ik de touwtjes losgooide.

Een week later waren we in Frankrijk, als God en Godin.

auteur: W. Mendelts

verhaal Derde prijs

Walmans' wraak

Walmans, zo heette hij echt, liet de brief uit zijn hand glijden en staarde door het stoffige raampje naar de rivier. Direct bracht hij de brief in verband met de man die een jaar eerder plotseling was komen opdagen. Walmans kon zich hem nog exact voor de geest halen: muisgrijs kostuum, glimmend gepoetste schoenen, gebruind gezicht, maar anders dan bij Walmans, alsof het uit een potje kwam en niet was veroorzaakt door weer en wind.

De man was met de auto - een groot geval met bumpers waarmee je met gemak een buffel omver kon rijden, en die slechts met moeite op het veer zou passen - maar hij stapte uit en liet de auto aan de oever staan. Wat onwennig stond hij naast drie boerenmeiden die giechelden om zijn gestileerde haar dat uit de plooi waaide. Walmans kon hem niet plaatsen. Hij kwam overduidelijk niet van hier en voor een toerist was hij te chic gekleed. Hij stapte met de meiden van het veer, kraste met zijn zool over een kiezelsteentje en ging weer aan boord. Walmans wachtte een kwartier op een extra passagier, tevergeefs, en voer de man terug. Daarna stapte hij in zijn auto en verdween.

En nu lag er een brief van Rijkswaterstaat. Er was nauwkeurig onderzoek verricht, op grond waarvan een commissie had besloten dat het veer niet langer rendabel was. Met ingang van januari werd het opgeheven en Walmans werd bedankt voor de twaalf jaar waarin hij met toewijding heen en weer had gevaren. Een afvloeiingsregeling was niet nodig, Walmans was immers al met pensioen.

Tegen beter weten in schreef Walmans een verweerschrift. Er is zegge en schrijve één keer iemand komen kijken. Een enkele steekproef kan ik geen nauwkeurig onderzoek noemen, schreef hij. Tot zijn verbazing ontving hij binnen vijf dagen antwoord: zijn verweerschrift werd ontvankelijk verklaard. Er zou nader onderzoek komen.

Een week later stond de grote auto weer langs de oever. De man kwam naar Walmans toe, knikte zuinigjes en zei: "Eijzinga, Rijkswaterstaat. Ik kom hier surveilleren, kijken wie er gelijk heeft". "Heeft of krijgt?" vroeg Walmans, maar de man stond al ongeduldig op het veer. Ze waren amper van wal gestoken, of het begon flink te regenen en vanuit zijn stuurhut zag Walmans het muisgrijs razendsnel in antraciet veranderen.

Aan de overzijde bood de veerman - hij was de beroerdste niet - Eijzinga onderdak in zijn krappe veermanshuisje. Walmans begon te lezen, de man hing zijn colbert te drogen. Daarna staarde hij gelaten door het raampje naar buiten, waar de regen onophoudelijk plensde en de rivier gestaag aanzwol.

Eijzinga, het wachten beu, stelde na enkele uren voor: "Zeg, beste man, moeten wij onderhand niet weer eens terug?" "Voor één passagier is dat niet rendabel," zei de veerman onbewogen. Pas tegen zessen pakte hij zijn boeltje bijeen en aanvaardden ze de terugtocht. Halverwege zag Walmans dat het, ondanks het slechte weer, toch een geslaagde dag was geworden: de rivier klotste inmiddels tevreden tegen de deurgreep van de auto.

auteur: G.J. van den Bemd